Een engel aan de deur

Uitgeverij In de Knipscheer, 2021

 

Op de achterkant:

In haar dichtbundel Door het vanggat en de novelle De vloeivelden in ging Aly Freije op zoek naar de impact van ontheemd raken en cirkelde ze rond de betekenissen van leven met verlies.

In de gedichten van Een engel aan de deur dringt ze daar dieper in door. In de spanning tussen spreken en zwijgen stuit ze op de draagwijdte van gemis en rouw. In flarden van stiltes duiken stemmen op. Tussen de polen van verwondering en wanhoop dwaalt ze door aangetaste landschappen, stuit op sporen, is ze op zoek naar een zeker evenwicht.

 

'Wat doet het meisje aan een keukentafel/ dat over ijsschotsen de overkant wil halen./Ze trotseert gezichten, spreekt de honden toe, zingt/zigzagt langs scherpe randen, waagt de sprong…/'

 

Veel is in beweging, de fantasie stuwt voort, paarden draven, voertuigen versnellen, een luchtbed verandert in een watervliegtuig. En altijd zijn er de vogels, de gevleugelden die boodschappen overseinen.

 

Recensie door Erik-Jan Hummel in Tzum

Melancholie accepteren

Van het lezen van de dichtbundel Een engel aan de deur van Aly Freije word je rustig, alsof je even wordt gedwongen stil te staan en de omgeving in je op te nemen. De beelden stapelen zich op, maar de gedichten verlaten bijna nooit de situatieschets. Binnen die situatie roept Freije zoveel op dat je als lezer vaak niet anders kan dan melancholisch berusten, dan alles te accepteren wat er gebeurd is. Dit doet ze met hier en daar originele beelden en taalvondsten. Een voorbeeld:

 

Berichten

II

Tegen de morgen jaagt de wind, het dak komt los

steeds kleiner de restruimte, het is haar aangezegd

altijd moet één de eerste zijn.

 

Veel Boeings daarboven, een spreeuwenzwerm

zwenkt op en neer, zet uit, vernauwt

tot trechter, vraagteken, wordt zwarte zon.

 

Ze zien elkaars ogen blauw, voor hoop

is weinig nodig, hij wijst haar

de speelgoedman met geblutste kop

belooft rondjes op de ijscokar

de opwindsleutel ratelt doelloos rond.

Zij registreert de pootkussentjes van de hond

– wieg mij dan – vraagt zij, – harder, harder –

 

Buiten krimpt de horizon

raast de wind met klauwhamers

door de straten, op zoek.

De vuurdoorn bloedt.

 

Dit gedicht is te lezen als een verzameling waarnemingen, maar is zo geladen met beelden en symboliek dat er vooral een sterfscène in te lezen is. Een dak dat loskomt zegt iets over een hoofd, en de restruimte lijkt de ruimte voor de hersenen en gedachten te zijn. Er is iets aangezegd aan haar, dus er is haar iets plechtig medegedeeld. De rest van het gedicht geeft woorden uit het register van de dood en doodgaan, zoals ‘altijd moet één de eerste zijn,’ ‘geblutste kop,’ ‘klauwhamers’ en ‘vuurdoorn bloedt’. Ook het beeld van een zwerm zwarte vogels in de lucht wekt het beeld van de dood op. De ‘Ze’ in strofe drie kunnen geliefden zijn, doordat ze hoop in elkaar ogen zien. Toch kunnen ‘speelgoedman’ en ‘ijscokar’ ook wijzen op een ouder en een kind. Dat de opwindsleutel doelloos rond ratelt, zegt misschien iets over de ‘zij’, dat zij niet meer opgewonden kan worden, haar laatste uren geteld zijn. Dat de zij (of is het de hond, die zij) gewiegd wil worden, kan een aanwijzing zijn dat zij een kind is, maar ook het verlangen van een stervende vrouw zijn om zich geliefd en veilig te wanen. De horizon die krimpt kan aangeven dat het donker wordt, maar ook figuurlijk dat de toekomst van deze ‘zij’ kleiner wordt, eindigt. De wind met klauwhamers is te lezen als de figuur van de dood, en dan is klauwhamer een origineler beeld dan zeis. In een bloedende vuurdoorn is ook het sterven van passie te herkennen, naast het algemene sterven. Dit gedicht dwingt de lezer tot een rustig, haast prevelend lezen, om zo alle beelden rustig tot zich te laten doordringen en dan een paar keer te herlezen. In onderstaande gedicht keren een aantal beelden terug:

 

Zussen

Haar hand laat los, de kamer kantelt

stoelen verweren zich redeloos

stilte raast de oren in.

 

Doorwoelde lakens leggen

een lichaam bloot.

De geur van een nest vertrekt

uit een ontzet bed.

 

Haar geest zweeft boven het dak

ik denk dat ze een vogel is

een ijsvogel schichtig zwenkend

stijgt op naar al dat blauw.

 

Zusjes waren wij, doldriest als groene appels

we vochten mateloos tweestemmig

ik kon laag, zij haalde grote hoogtes

wij sprongen diep de schuren in

we waagden met gemak ons leven.

 

Ik tuimel in de gaten die zij achterlaat

de tuin groeit door de ruiten

ik hak en graaf haar klimroos uit

doornen slaan in mijn vel

haken mij vast.

Rond de polsen parelen bloedkoralen

 

Ook hier is vooral een sterfscène te lezen in een verzameling beelden. De stilte, ook een terugkerend thema, raast, net als eerder de wind met de klauwhamer, en heeft daarmee iets onheilspellends. ‘De geur van een nest vertrekt/ uit een ontzet bed’ klinkt niet alleen mooi, vanwege de eh-klank, het beeld is ook sterk. Nu niemand meer in het bed ligt, de zus gestorven is, heeft het van alles aan warmte en bescherming verloren. ‘Haar geest’ is een vrije direct symbool van de overleden zus, en ‘ik denk dat ze een vogel is’ plaatst de ik wat in de kindertijd. Weer zwenken vogels. Nu is het duidelijk om wie het gaat door ‘Zusjes’. De zus lijkt verder te leven, in de beleving van de ik, in de ijsvogel en de tuin. De ik lijkt haar rol over te nemen, onvrijwillig: ‘Ik tuimel in de gaten die zij achterlaat’. In de laatste zin weer het bloed. Wat opvalt is dat Freije niets invult: je weet als lezer niet hoe je je moet voelen, of hoe de ik zich voelt, maar door de sfeertekening, de stapeling van beelden voel je des te meer, en dat vraagt om rustige herlezing, na rustige herlezing.